De Europese Unie en arbeidswetten

De Europese Unie heeft uitgebreide arbeidswetten die zien op (volgens het Verdrag inzake het functioneren van de Europese Unie) zaken rond directe loonregulering (bijvoorbeeld een minimumloon), billijkheid van ontslagen en collectieve onderhandelingen. Een reeks richtlijnen regelt bijna alle andere kwesties, bijvoorbeeld de arbeidstijdenrichtlijn garandeert een aantal dagen betaalde vakantie, de kaderrichtlijn gelijkheid verbiedt alle vormen van discriminatie en de richtlijn collectief ontslag vereist dat de juiste kennisgeving wordt gedaan en dat overleg plaatsvindt over beslissingen over economische ontslagen.

Het Europees Hof van Justitie heeft de bepalingen van de Verdragen echter onlangs uitgebreid via jurisprudentie. Vakbonden hebben geprobeerd om zich over de grenzen heen te organiseren op dezelfde manier als multinationale ondernemingen de productie wereldwijd hebben georganiseerd. Vakbonden hebben getracht collectieve actie te ondernemen en staken internationaal. Deze coördinatie werd in de Europese Unie echter aangevochten in twee controversiële beslissingen. 

In Laval Ltd tegen Swedish Builders Union werd een groep Letse werknemers naar een bouwplaats in Zweden gestuurd. De lokale vakbond ondernam industriële actie om Laval Ltd te laten tekenen voor de lokale collectieve arbeidsovereenkomst. Volgens de richtlijn inzake ‘ter beschikking gestelde werknemers’ stelt artikel 3 minimumnormen vast voor buitenlandse werknemers, zodat werknemers ten minste de minimumrechten krijgen die zij in hun thuisland zouden hebben, in het geval hun werkplek lagere minimumrechten heeft. 

Artikel 3, lid 7, bepaalt dat dit “de toepassing van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die gunstiger zijn voor werknemers niet in de weg staat”. De meeste mensen dachten dat dit betekende dat gunstiger voorwaarden konden worden gegeven dan het minimum (bijvoorbeeld in de Letse wet) dat gegeven wordt door de wetgeving van het gastland of een collectieve overeenkomst. Het Europese Hof van Justitie (HvJ) heeft echter gezegd dat alleen de lokale staat normen zou kunnen verhogen die hoger zijn dan het minimum voor buitenlandse werknemers. 

Elke poging van de gaststaat of vanuit een collectieve overeenkomst (tenzij de collectieve overeenkomst universeel wordt verklaard op grond van artikel 3, lid 8, zou de vrijheid van de onderneming op grond van artikel 56 VW EU schenden. Dit besluit werd impliciet door de wetgever van de Europese Unie in Rome ongedaan gemaakt. De Verordening maakt in overweging 34 duidelijk dat het gastland gunstiger normen kan toestaan.

In ‘The Rosella’ oordeelde het HvJ echter over een blokkade door de Internationale Transportarbeiders federatie tegen een bedrijf dat een Estlandse goedkope vlag gebruikte (dat wil zeggen dat het volgens Estse wetgeving opereerde om arbeidsnormen van Finland te vermijden). Hiermee werd inbreuk gemaakt op het ‘recht van vrije vestiging op grond van artikel 49 VW EU’. Het HvJ oordeelde dat het het “stakingsrecht” van de werknemers erkende in overeenstemming met IAO-verdrag, maar dat het gebruik ervan ‘evenredig moet zijn aan het recht van de vestiging van het bedrijf’.